Nieuws

Rooms-Katholieke Kerk Nederland > Caritas > Caritas: reflecties > Caritascolumn: Stop met elkaar de maat te nemen

Caritascolumn: Stop met elkaar de maat te nemen

Het was in Utrecht na de promotie, over mystagogie bij Augustinus, van Kitty Bouwman. In de pandhof van de Dom stonden achter mij twee priesters. “Ik heb nog nooit een religieuze ervaring gehad”, zei de een tegen de ander. Augustinus, met zijn uitspraak: “Gij waart in mij, ik was buiten”, kan hem tot deze ontboezeming gebracht hebben. De uitspraak van de priester riep bij mij allerlei associaties op. Zelf ben ik (71) opgegroeid met een vrij moralistische verkondiging. Er was een warm katholiek nestgevoel, maar de verkondiging kwam toch vaak neer op de oproep om goed te zijn voor een ander. Om het wat zwart-wit te zeggen: religie als plaatje bij de moraal.

Over de relatie met Christus en over Gods aanwezigheid, door de Geest, in het dagelijks leven van iedereen, ging het zelden. Het leidde ertoe dat ik, toen ik theologiestudent was, geen raad wist met de religieuze ervaringen die me overkwamen. Ik duidde ze psychologisch. Toen ik ze later durfde duiden als korte aanrakingen van de Allerhoogste, besefte ik dat Hij daardoor veel van mijn verwondingen uit mijn jeugd had genezen. Zonder deze ervaringen was ik een grijze muis gebleven: bang en verlegen. Hij had mij teruggegeven aan mezelf.

De neiging om religie te versmallen tot moraal is zo oud als de kerk. Zo heeft de H. Franciscus van Assisi, die 800 jaar geleden overleed, de ervaring beschreven dat de Allerhoogste hem onder de melaatsen bracht, en dat wat hem eerst bitter leek zoet bleek te zijn. Maar wat maakten de biografen Celano en Bonaventura ervan, volgens het tijdschrift Franciscaans Leven? Zij maakten de gang naar de melaatsen tot een bewijs voor de grote nederigheid en naastenliefde van Franciscus. Dus tot een bewijs van morele volmaaktheid. Terwijl Franciscus voortdurend benadrukte dat hij een zondaar en boeteling was. De nederigheid en armoede waren voor de “minderbroeders” heel belangrijk omdat zij juist zo meer open konden staan voor wat God hen geven wilde, aan troost, aan bemoediging, aan richting en wijsheid.

Gods genade komt vaak totaal onverwacht. Zo kreeg ik in een viering onder de tussenzang een beeld, een visioen, van een wand van water. Een half jaar heb ik gezocht naar de betekenis. Ondertussen werd me ontslag aangezegd. Ik was niet vrijzinnig genoeg. Gaandeweg besefte ik dat het visioen een schot voor de boeg was van de Allerhoogste: je denkt wel dat je hier op je plek bent. Maar Ik ga je wegleiden naar elders. Want de plek waar je nu werkt is als een slavenhuis voor je ziel. Aldus geschiedde. Toen ik twintig jaar later afscheid nam van een parochie, vertelde ik in mijn overweging over het visioen. Ik zei: “Jullie zijn voor mij het Beloofde Land geworden. Hier kon ik mij veel beter ontplooien zoals God mij bedoeld had: een pastoraal werker met oog voor de wisselwerking tussen diaconie en spiritualiteit”.

Meer dan moraal alleen

Ik ben nog van de generatie die het volgende kon meemaken (in 1962): de juffrouw van de eerste klas van de R.K. lagere school stuurde een meisje weg. Omdat ze een broek aanhad. In datzelfde jaar gingen we voor de laatste keer klassikaal biechten. Beide gebruiken werden het jaar erop afgeschaft. De priesters die ik kende waren blij dat ze niet meer hoefden te luisteren naar allerlei voor de gelegenheid verzonnen verhaaltjes, “zonden”. De tijd van het Rijke Roomse Leven met zijn warme nestgeur maar ook met zijn strakke moralisme, was definitief voorbij. Een opluchting voor velen, vooral voor degenen die het gevoel hadden gekregen dat hun van alles was voorgehouden wat eigenlijk weinig met Jezus van Nazareth te maken had.

Maar kwam er toen meer ruimte voor een spirituele beleving van het geloof? Voor zover ik het heb meegemaakt, ging het vaak zo: het oude moralisme kreeg een nieuw, progressief voorteken. Niet meer “handjes boven de dekens” maar “Je moet solidair zijn met de armen, hier en in de Derde Wereld”. Een sterke moraal kan je ver brengen. Zo heeft mijn generatie, de ‘boomers’, enorm veel diaconaal werk verzet in de afgelopen zestig jaar. Maar velen verlieten de kerk. Want “een goed mens zijn” kun je ook zonder en buiten de kerk.

De vraag die werkelijk telt

Een uitspraak van paus Franciscus raakte me: “De Eucharistie (..) is niet een beloning voor de volmaakten, maar een krachtig geneesmiddel en voedsel voor de zwakken”. Hij liet een perspectief zien, het conservatieve en progressieve moralisme voorbij. In het contact met anderen is niet de eerste vraag: “Kleur jij wel binnen de lijntjes van leer en traditie?”. De echte vraag is: “Waar is God in jouw en mijn leven verborgen aanwezig?”. Stop met elkaar de maat te nemen. Open je hart voor God, die is in jou en de ander.

Hans Oldenhof is namens het Officium Caritatis lid van de Raad van Toezicht van de Vereniging SchuldHulpMaatje Nederland 

foto: Pixabay

 

Tags: ,