Bij de Orientatietekst catechese NL (Stijn Van den Bossche)
(Opm. citaten en paginering zijn op basis van voorlaatste tekstversie die mij werd toegestuurd. De eindtekst verschilt daar nog van in details.)
Monseigneur, geachte aanwezigen,
Ik wil vooreerst Mgr. de Jong en mijn collega dr. Johan Van der Vloet bedanken dat ik hier vandaag met u mag meedenken en ook zelf een korte beschouwing mag brengen bij de Oriëntatietekst voor de parochiecatechese in de Nederlandse kerkprovincie. En laat ik voor de aardigheid even achteraan in de tekst beginnen: als betrokken partij verheug ik mij er bijzonder in dat bij de taakstelling voor het Officium Catecheticum te lezen staat dat dit een aantal werkzaamheden verricht ‘waar mogelijk in samenwerking met de Vlaamse kerkprovincie’. Dat verankert overigens een bestaande praktijk die zijn economisch maar vooral ook heilseconomisch nut reeds heeft bewezen.
Als ik heel precies ben, moet ik weliswaar zeggen dat de Vlaamse kerkprovincie niet bestaat, maar dat wellicht bedoeld worden de Nederlandstalige bisdommen en twee dito vicariaten van de Belgische kerkprovincie - ik bespaar u evenwel de hieraan ten gronde liggende Belgische logica, die binnen het mij toegestane kwartier onmogelijk kan worden uiteengezet.
En terwijl ik toch bezig ben met kleine correcties: ik ben algemeen secretaris van een interdiocesane commissie niet voor parochiecatechese zoals in de aankondiging staat, maar voor catechese tout court: de ICC. En liefst nog zou ik de naam van de commissie gewijzigd zien in ICCP: interdiocesane commissie voor catechetische pastoraal, dit naar het voorbeeld van het Parijse Institut Supérieur de Pastorale Catéchétique.
En daarmee leg ik eigenlijk de kaarten op tafel voor wat volgt: ik herken in de oriëntatietekst de evolutie van klassieke parochiecatechese naar catechese als een activiteit die uit haar hoekje komt en een prominente plaats gaat innemen in de Kerkgemeenschap van ‘leerlingen’ van Jezus: permanent, voor alle leeftijden en intergenerationeel. En misschien blijven we in de tekst tegelijk nog enigszins onderweg naar ‘catechetisch’ als een bijvoeglijk voornaamwoord bij of een kleur van ons kerk zijn zelf, zoals in ‘catechetische pastoraal’.
Ik wil eerst met u de tekst doorlopen en onderweg attenderen op enkele zaken die mij opvielen bij de lectuur. Daarna zal ik ook twee knipperlichtjes langs het traject van de oriëntatietekst plaatsen. Die zeggen niet dat we op een verkeerde weg zijn, maar willen veeleer wijzen op gevaren die zich op de goede weg kunnen voordoen.
Op weg dus. Ik wil algemeen opmerken dat ik mij heel goed kan vinden in de lijnen die de tekst uitzet, en die Johan reeds heeft voorgesteld: de context van kerkvernieuwing, de nieuwe betekenis van catechese daarin, haar prioriteiten en methode, en de omzetting in concreet beleid. De lijn is duidelijk en logisch. Ik beperk me dan ook tot het onderlijnen van enkele specifieke passages.
- Zo vind ik in het eerste hoofdstuk over een nieuw zelfverstaan van kerk en nieuwe catechese bijzonder goed de wijze waarop een ‘missionaire Kerk’ er wordt omschreven: “Met missionair drukken wij het besef uit dat de Kerk in deze wereld gezonden is om te dienen.” (p9) Dit verwoordt twee zaken tegelijk. Enerzijds vallen wij niet langer samen met de wereld - anders zouden we niet tot deze wereld worden gezonden. De samenleving is niet langer of nog niet christelijk, en dat is een louter beschrijvende uitspraak. Maar vooral ook: de Kerk is ten diepste een dienst aan de wereld. Ik denk dat in de kleine Kerk van de toekomst het zich terugtrekken, zich afzonderen, een constante verleiding zal zijn. Maar ons anders zijn dan de wereld mag net geen afscheiding betekenen. Het is van het grootste belang dat wij ons realiseren: langs de Kerk om, of die nu groot of klein is, wil God zich kenbaar maken aan de wereld en alle mensen uitnodigen. Wij kunnen niet overal in de wereld Gods liefde reeds gestalte geven, dat zal onze mogelijkheden helaas verregaand overstijgen. Maar we moeten Gods liefde tonen, aanwezig stellen als een uitnodiging, in woord en daad, zegt de tekst. Dat is onze dienst aan de wereld. En de paradox is dat onze eerste en moeilijkste opdracht in dit perspectief is, zelf Gods liefde gestalte te geven in de Kerk, opdat God in de Kerk een zichtbare gestalte verwerft waarin de wereld Hem kan leren kennen.
- Van groot belang hierbij vind ik ook de paragraaf over identiteit en religieuze vrijheid. De Franse evenknie van de Nederlandse oriëntatietekst, de Texte national pour l’organisation de la catéchèse en France et Principes d’organisation (2006), noemt de persoonlijke vrijheid een “eerste voorwaarde om de pedagogie van initiatie in de catechese op gang te brengen.” En daar hoort inderdaad ook bij de in de Nederlandse tekst uit Evangelii Nuntiandi geciteerde zorg om de ander niet nodeloos te kwetsen. Sommige christelijke inzichten zijn voor onze tijdgenoten “een bron van verbijstering en ergernis”, erkende blijkbaar paus Paulus VI. Ik vind dit een opmerkelijke uitspraak voor een paus. Laten we dus eerste verkondiging beschouwen als het eerste wat moet gezegd worden over ons geloof, en dat is in de regel Gods liefdesaanbod - waaruit onze levenshouding als een antwoord geleidelijk mag groeien.
- Over de ankerpunten van hfst 2 gaat mijn tweede knipperlichtje, ik ga dus nu meteen naar hfst 3.
- De drie prioriteiten die in hfst. 3 worden neergezet had ik echt ook zelf zo gekozen, zij het misschien in een iets andere volgorde: het opnieuw ervaren en beleven van kerk zijn - een catechumenaal model ontwikkelen waarin christen zijn betekent: leerling zijn - en een vrijmoedige eerste verkondiging. En binnen het catechumenaal model vond ik vooral merkwaardig het accent op bekering: “Dat is in de catechese een beetje op de achtergrond geraakt.” (p. 27) Ik denk met name dat binnen onze cultuur gelovig worden niet anders kan dan ook doorheen bekering en dus het verlaten van een bepaalde culturele mainstream. Maar dat wordt dadelijk mijn eerste knipperlichtje.
- Hfst 4 ontwikkelt onder de titel ‘methodische oriëntaties’ catechese als permanente initiatie naar verschillende doelgroepen toe: volwassenen, kinderen, jongeren, gezinnen, scholen. Ik heb hier ook sympathie voor de vermelding van mentaal gehandicapte medemensen als bijzondere doelgroep. Zij vormen misschien wel een toetssteen voor wat catechese is en voor wat initiatie is. Hebben we het wezen van de christelijke initiatie al begrepen als we de vraag stellen die ik wel eens voorgelegd kreeg, of catechese voor ernstig mentaal gehandicapten mogelijk is, en of het wel veel zin heeft aan hen met name het vormsel (‘geloofsexamen…’) toe te dienen? Onze duiding van de christelijke initiatie moet mijns inziens steeds zo zijn dat we ze langs de meetlat kunnen leggen van een ondubbelzinnig ja op deze vraag.
- Over de nieuwe aanpak van de sacramentencatechese blijft hoofdstuk 4 dan weer enigszins op de vlakte, vind ik. Voor elk sacrament wordt een catechumenaal model geschetst, maar de concretere invulling van de sacramentenpastoraal wordt blijkbaar aan de bisdommen overgelaten. Maar dat snap ik eigenlijk ook wel. Het is in Vlaanderen mijn ervaring dat de vernieuwing richting initiatie eigenlijk moet beginnen bij een vernieuwde pastoraal van de drie initiatiesacramenten, maar dat precies daar de weerstanden het grootst zijn. Immers, rond geboorte, eerste communie bij het kind worden, en vormsel op de overgang naar volwassenheid, zijn de restanten van het voorbije cultuurchristendom nog het sterkst aanwezig. Bij de nodige verbouwing in de kerkopbouw heb ik het ingrijpen in de traditionele pastoraal van de initiatiesacramenten wel eens vergeleken met de specifieke competentie in de bouwsector ‘boren en zagen in gewapend beton’. Toch lijkt een interdiocesaan gesprek mij nodig over een vernieuwing van die pastoraal van de initiatiesacramenten, die een catechumenale aanpak moet mogelijk maken. Moet bvb. de eerste communie via de school blijven verlopen, zoals in Vlaanderen nog op heel wat plaatsen het geval is? Het theoretische antwoord is gemakkelijker gegeven dan de praktische overgang naar de parochie gerealiseerd. Maar ook: moet de eerste communie een heel bijzondere viering van en door de kinderen zijn, met maanden voorbereiding, of kadert de eerste communie van het kind veeleer in een onthaal van de betreffende gezinnen in de geloofsgemeenschap (waarvoor Paus Benedictus XVI pleit in Sacramentum caritatis)? Vergelijkbare vragen kan men stellen over zuigelingendoop en vormsel. En hoe sterker culturele geplogenheden doorwegen, hoe meer nood aan een gezamenlijke, interdiocesane aanpak van de noodzakelijke veranderingsprocessen.
- Hoofdstuk 5 tenslotte over de omkadering van de catechese in plannen, opleiding en middelen, interpelleert Vlaanderen, wil ik erkennen. De ondersteuning van de catecheten, de opleiding en aanstelling van beroepskrachten, de uitbouw van het interdiocesane bureau (Officium) en zijn taken… Dit alles komt hier als goed overwogen naar voren. Tegelijk stelt zich natuurlijk de vraag naar mensen en middelen, maar ook een verschuiving van prioriteiten in deze behoort tot een vernieuwing van het kerkverstaan en van de catechese.
Aan het einde van het traject bevestig ik dan nogmaals dat ik, ook al vinden theologen altijd wel wat om kritisch te zijn, mij heel goed kan vinden in het globale opzet van de tekst. En eigenlijk verrast dat mij niet. Sinds ik intensiever met catechese bezig ben, heb ik al vaker de vrij grote consensus opgemerkt onder theoretici én beleidsmensen over wat we zouden moeten doen. Daartegenover staat echter dat het nog niet echt gebeurt. Als we het eens zijn over wat we moeten doen, waarom is het dan blijkbaar zo moeilijk om het te doen…? Dat brengt me bij de knipperlichten.
Een eerste knipperlicht wil ik plaatsen bij de aanvang van de oriëntatietekst. Ik vind daar de spirituele zoektocht van onze cultuur misschien toch ietwat rooskleurig beoordeeld vanuit christelijk perspectief. Ik citeer: “Ook de opvatting van religie is veranderd onder invloed van het individualisme. Op spiritueel vlak betekent dit dat zelfverwerkelijking, bezorgdheid om authenticiteit, geluk in het ondermaanse, effectiviteit en pragmatisme de voornaamste kenmerken zijn van het religieuze aanvoelen van de hedendaagse mens.” Ik wil de vraag stellen: is dit wel een religieus aanvoelen als een zich verbonden weten met het overstijgende? Gaat de zo omschreven postmoderne mens eigenlijk wel in dienst van God, of neemt hij het goddelijke veeleer in zijn dienst, en ontdoet hij het daarmee van zijn transcendente karakter? Is de ‘religie van het zelf’ zoals godsdienstsociologen ze noemen, wel echt religie? Wat kan de heilige Damiaan met zelfverwerkelijking en eigen geluk zoeken in het ondermaanse? En is ‘believing without belonging’, ongetwijfeld correct als beschrijving van een bepaalde praktijk, echt wel believing? En wat betekent dan de terugkerende ‘spiritualiteit’ waarover de recente pastoraalsociologie spreekt? Ik realiseer me dat hier natuurlijk heel veel genuanceerd kan worden. Maar het punt dat ik al te kort wil maken, is dat in onze hedendaagse cultuur het heropnemen van termen als religie, geloof, spiritualiteit, en een ‘onpersoonlijk godsbeeld’ (kan een godsbeeld eigenlijk anders dan persoonlijk zijn in de zin van een ‘tegenover’ of tegenintentionaliteit?) gepaard gaat met een verschuiving in betekenis van die termen. Dat maakt het mijns inziens soms moeilijker dan wij spontaan denken om het christelijk verstaan van religie, geloof, godsbeeld en spiritualiteit te laten aansluiten op de ‘nieuwe religiositeit’ die het einde van de secularisatie zou inluiden.
Ik zeg niet dat de oriëntatietekst in deze val trapt. Maar ik worstel voor mezelf met zijn aansporing “In het nieuwe model van parochiecatechese zullen we rekening moeten houden met de nieuwe situatie.” (p. 7) Hoe doe je dat? Hoe verschijnt het christelijk geloof aan onze tijdgenoten als ‘relevant’? (p. 8) Het duidelijke antwoord hierop volgt nog niet in de tekst, meen ik - en ik ken het zelf natuurlijk ook niet. De cultuuranalyse blijft veeleer iets losser staan van de weg die daarna ingeslagen wordt door de tekst: een weg waarop de geloofsgemeenschap zichzelf laat catechiseren en Gods Woord probeert te spreken tot de wereld.
Anders dan in de tekst bespeur ik daarentegen in de catechetische praktijk soms wel een terugkeer van een aanwezigheidspastoraal die nu missionair wordt genoemd (in de verschillende levensfasen van mensen, of op die plaatsen waar mensen leven…) maar waarbij, zoals in de jaren van het correlatiedenken, de catechetische of verkondigingsdimensie opnieuw dreigt onder te sneeuwen. En dat gebeurt vooral op tweevoudige wijze: door het zich beperken tot aanwezigheid zonder voldoende verkondiging in woord en daad (bvb. aanwezig zijn bij jongeren) , of door in te spelen op de nieuwe religiositeit zonder deze kritisch onder de loupe te nemen (bvb. in te gemakkelijke zegeningen). Daarom wil ik bij alle toejuichen van de ontmoeting met en dienst aan de cultuur waarin we leven, toch ook een knipperlicht plaatsen om ons te hoeden voor vorschnelle oplossingen. De ontmoeting tussen christendom en hedendaagse cultuur is niet onproblematisch en geen zaak van aanpassing maar van uitnodiging tot bekering tegen de culturele trend in, in een aantal levensdomeinen.
Het tweede knipperlicht vind ik toch belangrijker. Waarom doen we niet wat we vinden dat we moeten doen, vroeg ik daarnet? Omdat we daartoe de kerkgemeenschap niet hebben. We worstelen in heel Europa met een vicieuze cirkel die in de oriëntatietekst verwoord wordt in twee tussentitels: “de catechese is motor van vernieuwing in de kerk”, maar die “levende kerkgemeenschap is voorwaarde voor een vernieuwde catechese”. Bekijken we deze spanning (het gaat ook over de kip en het ei) even in de tekst. Zoals ik eerder zei, treed ik de eerste voorgenomen prioriteit van de catechese (hfst 3) helemaal bij: een levende kerkgemeenschap ontwikkelen. Maar een beetje teken aan de wand vond ik de afwezigheid van die kerkgemeenschap bij de ankerpunten van de catechese in hfst 2: initiatie en integratie.
- Initiatie wordt daar vooral ontwikkeld als de persoonlijke ingroei in het geloof als ontmoeting met Christus, wat ik helemaal wil beamen. Maar de initiatie in Christus is ook initiatie in het derde lichaam van Christus, in het leven van de kerkgemeenschap zelf dus. De Leuvense theoloog Reimund Bieringer stelt onomwonden dat initiatie tot stand komt door kerkervaring. Ik citeer: “Dit betekent in de eerste plaats dat het doopsel en de christelijke initiatie een persoonlijke ontmoeting bevat met de persoon Jezus Christus via de gemeenschap die zich begrijpt als het lichaam van Christus. Dit gebeurt door het volgen van een weg, het binnentreden in een christelijke manier van leven. In de christelijke initiatie staat daarom de persoon van Jezus Christus en de kerkgemeenschap centraal, niet een boek (noch de Bijbel, noch de Katechismus, noch gelijk welk handboek of map).”
- Het tweede ankerpunt is geïntegreerde catechese. Zij dient als kerygmatische pool geïntegreerd in liturgie en diaconie. Vervolgens had ik als synthese koinoonia of communio verwacht, maar de tekst heeft het in plaats daarvan over integratie in spiritualiteit of het christen zijn.
In de catechetische literatuur kan men werkelijk als het meest voorkomende refrein lezen: de kerkgemeenschap zelf en haar leven is de eerste catechese, voor er binnen die kerkgemeenschap aan catechese wordt gedaan. Dat bedoel ik met de tweede evolutie van catechese naar catechetische pastoraal. Ik wil dit tot slot nog enigszins concretiseren, aansluitend bij hoofdstuk vier over de catechetische methodes. Daar ontbreekt voor mij opnieuw enigszins de beleving van de kerk zelf als methode van catechese.
Ik vrees dat bij hfst 4 over de diverse catecheses bij doelgroepen de vraag kan komen: ‘Moeten we dit er ook nog allemaal bij nemen?’ Het antwoord op deze vraag zou kunnen zijn: het gaat eerder om het gewone leven van de kerkgemeenschap dan om taken ‘erbij’. De Belgische bisschoppen - ik moet hen in mijn functie altijd minstens één keer citeren - schrijven in hun verklaring ‘Volwassen worden in geloof: “Stel dat iemand, die van geloof en Kerk helemaal niets weet, je komt vragen wat een christen eigenlijk gelooft en wat de Kerk is. (…) Je kan die persoon ook heel eenvoudig antwoorden: wacht tot het zondag is, kom naar de bijeenkomst van de christenen en je zult zien wat er gebeurt als ze samenkomen voor de eucharistie. Eigenlijk is daar alles te zien en te horen wat met geloof en Kerk wordt bedoeld.” Dat is wat ik bedoel met een ‘catechetische pastoraal’. Luc Aerens (Lumen Vitae) wijst er op dat de wijze waarop de gemeenschap de nieuweling ontvangt, waarop uit de Schrift wordt voorgelezen, hoe gezongen wordt, enz., een hoogst belangrijke catechese op zich is. Elke volwassenencatechese is secundair aan de homilie als de hoogste catechese binnen de liturgie. En zijn aparte gezinsvieringen en kindernevendiensten echt wel nodig als onze vieringen intergenerationeel toegankelijk zijn? Of nog, in een parochie in Duitsland bestaat de vormselcatechese in het bezoeken van bejaarden en deelnemen aan de liturgie, en dit werkt meer initiërend voor de jongeren dan eender welke handleiding. Het leven van de kerkgemeenschap is de eerste en voornaamste catechese.
Maar helaas is die kerkgemeenschap er niet altijd, in Vlaanderen en in Nederland, en ik vind het moedig dat dit ook benoemd wordt in de oriëntatietekst, met name op p. 21, en op p. 24 wat betreft de zondagsliturgie.
Ik zie voor het probleem van de ontbrekende gemeenschap dat een ‘catechetische pastoraal’ bemoeilijkt, geen pasklare oplossing. Ik denk dat in elk geval de vernieuwing van de territoriale pastoraal hand in hand moet gaan met de vernieuwing van de catechese - dat hoort overigens bij een paradigmawissel waarvan sprake in de tekst (p. 11). Maar de catechese kan ook niet wachten tot de kerkgemeenschappen er zijn. Ik sluit mij daarom hoopvol aan bij een andere zin uit de tekst: “Catechese kan een laboratorium worden van het nieuwe zelfverstaan van de Kerk in de wereld van vandaag.” (p. 12)
Monseigneur, geachte aanwezigen,
Ik wil vooreerst Mgr. de Jong en mijn collega dr. Johan Van der Vloet bedanken dat ik hier vandaag met u mag meedenken en ook zelf een korte beschouwing mag brengen bij de Oriëntatietekst voor de parochiecatechese in de Nederlandse kerkprovincie. En laat ik voor de aardigheid even achteraan in de tekst beginnen: als betrokken partij verheug ik mij er bijzonder in dat bij de taakstelling voor het Officium Catecheticum te lezen staat dat dit een aantal werkzaamheden verricht ‘waar mogelijk in samenwerking met de Vlaamse kerkprovincie’. Dat verankert overigens een bestaande praktijk die zijn economisch maar vooral ook heilseconomisch nut reeds heeft bewezen.
Als ik heel precies ben, moet ik weliswaar zeggen dat de Vlaamse kerkprovincie niet bestaat, maar dat wellicht bedoeld worden de Nederlandstalige bisdommen en twee dito vicariaten van de Belgische kerkprovincie - ik bespaar u evenwel de hieraan ten gronde liggende Belgische logica, die binnen het mij toegestane kwartier onmogelijk kan worden uiteengezet.
En terwijl ik toch bezig ben met kleine correcties: ik ben algemeen secretaris van een interdiocesane commissie niet voor parochiecatechese zoals in de aankondiging staat, maar voor catechese tout court: de ICC. En liefst nog zou ik de naam van de commissie gewijzigd zien in ICCP: interdiocesane commissie voor catechetische pastoraal, dit naar het voorbeeld van het Parijse Institut Supérieur de Pastorale Catéchétique.
En daarmee leg ik eigenlijk de kaarten op tafel voor wat volgt: ik herken in de oriëntatietekst de evolutie van klassieke parochiecatechese naar catechese als een activiteit die uit haar hoekje komt en een prominente plaats gaat innemen in de Kerkgemeenschap van ‘leerlingen’ van Jezus: permanent, voor alle leeftijden en intergenerationeel. En misschien blijven we in de tekst tegelijk nog enigszins onderweg naar ‘catechetisch’ als een bijvoeglijk voornaamwoord bij of een kleur van ons kerk zijn zelf, zoals in ‘catechetische pastoraal’.
Ik wil eerst met u de tekst doorlopen en onderweg attenderen op enkele zaken die mij opvielen bij de lectuur. Daarna zal ik ook twee knipperlichtjes langs het traject van de oriëntatietekst plaatsen. Die zeggen niet dat we op een verkeerde weg zijn, maar willen veeleer wijzen op gevaren die zich op de goede weg kunnen voordoen.
Op weg dus. Ik wil algemeen opmerken dat ik mij heel goed kan vinden in de lijnen die de tekst uitzet, en die Johan reeds heeft voorgesteld: de context van kerkvernieuwing, de nieuwe betekenis van catechese daarin, haar prioriteiten en methode, en de omzetting in concreet beleid. De lijn is duidelijk en logisch. Ik beperk me dan ook tot het onderlijnen van enkele specifieke passages.
- Zo vind ik in het eerste hoofdstuk over een nieuw zelfverstaan van kerk en nieuwe catechese bijzonder goed de wijze waarop een ‘missionaire Kerk’ er wordt omschreven: “Met missionair drukken wij het besef uit dat de Kerk in deze wereld gezonden is om te dienen.” (p9) Dit verwoordt twee zaken tegelijk. Enerzijds vallen wij niet langer samen met de wereld - anders zouden we niet tot deze wereld worden gezonden. De samenleving is niet langer of nog niet christelijk, en dat is een louter beschrijvende uitspraak. Maar vooral ook: de Kerk is ten diepste een dienst aan de wereld. Ik denk dat in de kleine Kerk van de toekomst het zich terugtrekken, zich afzonderen, een constante verleiding zal zijn. Maar ons anders zijn dan de wereld mag net geen afscheiding betekenen. Het is van het grootste belang dat wij ons realiseren: langs de Kerk om, of die nu groot of klein is, wil God zich kenbaar maken aan de wereld en alle mensen uitnodigen. Wij kunnen niet overal in de wereld Gods liefde reeds gestalte geven, dat zal onze mogelijkheden helaas verregaand overstijgen. Maar we moeten Gods liefde tonen, aanwezig stellen als een uitnodiging, in woord en daad, zegt de tekst. Dat is onze dienst aan de wereld. En de paradox is dat onze eerste en moeilijkste opdracht in dit perspectief is, zelf Gods liefde gestalte te geven in de Kerk, opdat God in de Kerk een zichtbare gestalte verwerft waarin de wereld Hem kan leren kennen.
- Van groot belang hierbij vind ik ook de paragraaf over identiteit en religieuze vrijheid. De Franse evenknie van de Nederlandse oriëntatietekst, de Texte national pour l’organisation de la catéchèse en France et Principes d’organisation (2006), noemt de persoonlijke vrijheid een “eerste voorwaarde om de pedagogie van initiatie in de catechese op gang te brengen.” En daar hoort inderdaad ook bij de in de Nederlandse tekst uit Evangelii Nuntiandi geciteerde zorg om de ander niet nodeloos te kwetsen. Sommige christelijke inzichten zijn voor onze tijdgenoten “een bron van verbijstering en ergernis”, erkende blijkbaar paus Paulus VI. Ik vind dit een opmerkelijke uitspraak voor een paus. Laten we dus eerste verkondiging beschouwen als het eerste wat moet gezegd worden over ons geloof, en dat is in de regel Gods liefdesaanbod - waaruit onze levenshouding als een antwoord geleidelijk mag groeien.
- Over de ankerpunten van hfst 2 gaat mijn tweede knipperlichtje, ik ga dus nu meteen naar hfst 3.
- De drie prioriteiten die in hfst. 3 worden neergezet had ik echt ook zelf zo gekozen, zij het misschien in een iets andere volgorde: het opnieuw ervaren en beleven van kerk zijn - een catechumenaal model ontwikkelen waarin christen zijn betekent: leerling zijn - en een vrijmoedige eerste verkondiging. En binnen het catechumenaal model vond ik vooral merkwaardig het accent op bekering: “Dat is in de catechese een beetje op de achtergrond geraakt.” (p. 27) Ik denk met name dat binnen onze cultuur gelovig worden niet anders kan dan ook doorheen bekering en dus het verlaten van een bepaalde culturele mainstream. Maar dat wordt dadelijk mijn eerste knipperlichtje.
- Hfst 4 ontwikkelt onder de titel ‘methodische oriëntaties’ catechese als permanente initiatie naar verschillende doelgroepen toe: volwassenen, kinderen, jongeren, gezinnen, scholen. Ik heb hier ook sympathie voor de vermelding van mentaal gehandicapte medemensen als bijzondere doelgroep. Zij vormen misschien wel een toetssteen voor wat catechese is en voor wat initiatie is. Hebben we het wezen van de christelijke initiatie al begrepen als we de vraag stellen die ik wel eens voorgelegd kreeg, of catechese voor ernstig mentaal gehandicapten mogelijk is, en of het wel veel zin heeft aan hen met name het vormsel (‘geloofsexamen…’) toe te dienen? Onze duiding van de christelijke initiatie moet mijns inziens steeds zo zijn dat we ze langs de meetlat kunnen leggen van een ondubbelzinnig ja op deze vraag.
- Over de nieuwe aanpak van de sacramentencatechese blijft hoofdstuk 4 dan weer enigszins op de vlakte, vind ik. Voor elk sacrament wordt een catechumenaal model geschetst, maar de concretere invulling van de sacramentenpastoraal wordt blijkbaar aan de bisdommen overgelaten. Maar dat snap ik eigenlijk ook wel. Het is in Vlaanderen mijn ervaring dat de vernieuwing richting initiatie eigenlijk moet beginnen bij een vernieuwde pastoraal van de drie initiatiesacramenten, maar dat precies daar de weerstanden het grootst zijn. Immers, rond geboorte, eerste communie bij het kind worden, en vormsel op de overgang naar volwassenheid, zijn de restanten van het voorbije cultuurchristendom nog het sterkst aanwezig. Bij de nodige verbouwing in de kerkopbouw heb ik het ingrijpen in de traditionele pastoraal van de initiatiesacramenten wel eens vergeleken met de specifieke competentie in de bouwsector ‘boren en zagen in gewapend beton’. Toch lijkt een interdiocesaan gesprek mij nodig over een vernieuwing van die pastoraal van de initiatiesacramenten, die een catechumenale aanpak moet mogelijk maken. Moet bvb. de eerste communie via de school blijven verlopen, zoals in Vlaanderen nog op heel wat plaatsen het geval is? Het theoretische antwoord is gemakkelijker gegeven dan de praktische overgang naar de parochie gerealiseerd. Maar ook: moet de eerste communie een heel bijzondere viering van en door de kinderen zijn, met maanden voorbereiding, of kadert de eerste communie van het kind veeleer in een onthaal van de betreffende gezinnen in de geloofsgemeenschap (waarvoor Paus Benedictus XVI pleit in Sacramentum caritatis)? Vergelijkbare vragen kan men stellen over zuigelingendoop en vormsel. En hoe sterker culturele geplogenheden doorwegen, hoe meer nood aan een gezamenlijke, interdiocesane aanpak van de noodzakelijke veranderingsprocessen.
- Hoofdstuk 5 tenslotte over de omkadering van de catechese in plannen, opleiding en middelen, interpelleert Vlaanderen, wil ik erkennen. De ondersteuning van de catecheten, de opleiding en aanstelling van beroepskrachten, de uitbouw van het interdiocesane bureau (Officium) en zijn taken… Dit alles komt hier als goed overwogen naar voren. Tegelijk stelt zich natuurlijk de vraag naar mensen en middelen, maar ook een verschuiving van prioriteiten in deze behoort tot een vernieuwing van het kerkverstaan en van de catechese.
Aan het einde van het traject bevestig ik dan nogmaals dat ik, ook al vinden theologen altijd wel wat om kritisch te zijn, mij heel goed kan vinden in het globale opzet van de tekst. En eigenlijk verrast dat mij niet. Sinds ik intensiever met catechese bezig ben, heb ik al vaker de vrij grote consensus opgemerkt onder theoretici én beleidsmensen over wat we zouden moeten doen. Daartegenover staat echter dat het nog niet echt gebeurt. Als we het eens zijn over wat we moeten doen, waarom is het dan blijkbaar zo moeilijk om het te doen…? Dat brengt me bij de knipperlichten.
Een eerste knipperlicht wil ik plaatsen bij de aanvang van de oriëntatietekst. Ik vind daar de spirituele zoektocht van onze cultuur misschien toch ietwat rooskleurig beoordeeld vanuit christelijk perspectief. Ik citeer: “Ook de opvatting van religie is veranderd onder invloed van het individualisme. Op spiritueel vlak betekent dit dat zelfverwerkelijking, bezorgdheid om authenticiteit, geluk in het ondermaanse, effectiviteit en pragmatisme de voornaamste kenmerken zijn van het religieuze aanvoelen van de hedendaagse mens.” Ik wil de vraag stellen: is dit wel een religieus aanvoelen als een zich verbonden weten met het overstijgende? Gaat de zo omschreven postmoderne mens eigenlijk wel in dienst van God, of neemt hij het goddelijke veeleer in zijn dienst, en ontdoet hij het daarmee van zijn transcendente karakter? Is de ‘religie van het zelf’ zoals godsdienstsociologen ze noemen, wel echt religie? Wat kan de heilige Damiaan met zelfverwerkelijking en eigen geluk zoeken in het ondermaanse? En is ‘believing without belonging’, ongetwijfeld correct als beschrijving van een bepaalde praktijk, echt wel believing? En wat betekent dan de terugkerende ‘spiritualiteit’ waarover de recente pastoraalsociologie spreekt? Ik realiseer me dat hier natuurlijk heel veel genuanceerd kan worden. Maar het punt dat ik al te kort wil maken, is dat in onze hedendaagse cultuur het heropnemen van termen als religie, geloof, spiritualiteit, en een ‘onpersoonlijk godsbeeld’ (kan een godsbeeld eigenlijk anders dan persoonlijk zijn in de zin van een ‘tegenover’ of tegenintentionaliteit?) gepaard gaat met een verschuiving in betekenis van die termen. Dat maakt het mijns inziens soms moeilijker dan wij spontaan denken om het christelijk verstaan van religie, geloof, godsbeeld en spiritualiteit te laten aansluiten op de ‘nieuwe religiositeit’ die het einde van de secularisatie zou inluiden.
Ik zeg niet dat de oriëntatietekst in deze val trapt. Maar ik worstel voor mezelf met zijn aansporing “In het nieuwe model van parochiecatechese zullen we rekening moeten houden met de nieuwe situatie.” (p. 7) Hoe doe je dat? Hoe verschijnt het christelijk geloof aan onze tijdgenoten als ‘relevant’? (p. 8) Het duidelijke antwoord hierop volgt nog niet in de tekst, meen ik - en ik ken het zelf natuurlijk ook niet. De cultuuranalyse blijft veeleer iets losser staan van de weg die daarna ingeslagen wordt door de tekst: een weg waarop de geloofsgemeenschap zichzelf laat catechiseren en Gods Woord probeert te spreken tot de wereld.
Anders dan in de tekst bespeur ik daarentegen in de catechetische praktijk soms wel een terugkeer van een aanwezigheidspastoraal die nu missionair wordt genoemd (in de verschillende levensfasen van mensen, of op die plaatsen waar mensen leven…) maar waarbij, zoals in de jaren van het correlatiedenken, de catechetische of verkondigingsdimensie opnieuw dreigt onder te sneeuwen. En dat gebeurt vooral op tweevoudige wijze: door het zich beperken tot aanwezigheid zonder voldoende verkondiging in woord en daad (bvb. aanwezig zijn bij jongeren) , of door in te spelen op de nieuwe religiositeit zonder deze kritisch onder de loupe te nemen (bvb. in te gemakkelijke zegeningen). Daarom wil ik bij alle toejuichen van de ontmoeting met en dienst aan de cultuur waarin we leven, toch ook een knipperlicht plaatsen om ons te hoeden voor vorschnelle oplossingen. De ontmoeting tussen christendom en hedendaagse cultuur is niet onproblematisch en geen zaak van aanpassing maar van uitnodiging tot bekering tegen de culturele trend in, in een aantal levensdomeinen.
Het tweede knipperlicht vind ik toch belangrijker. Waarom doen we niet wat we vinden dat we moeten doen, vroeg ik daarnet? Omdat we daartoe de kerkgemeenschap niet hebben. We worstelen in heel Europa met een vicieuze cirkel die in de oriëntatietekst verwoord wordt in twee tussentitels: “de catechese is motor van vernieuwing in de kerk”, maar die “levende kerkgemeenschap is voorwaarde voor een vernieuwde catechese”. Bekijken we deze spanning (het gaat ook over de kip en het ei) even in de tekst. Zoals ik eerder zei, treed ik de eerste voorgenomen prioriteit van de catechese (hfst 3) helemaal bij: een levende kerkgemeenschap ontwikkelen. Maar een beetje teken aan de wand vond ik de afwezigheid van die kerkgemeenschap bij de ankerpunten van de catechese in hfst 2: initiatie en integratie.
- Initiatie wordt daar vooral ontwikkeld als de persoonlijke ingroei in het geloof als ontmoeting met Christus, wat ik helemaal wil beamen. Maar de initiatie in Christus is ook initiatie in het derde lichaam van Christus, in het leven van de kerkgemeenschap zelf dus. De Leuvense theoloog Reimund Bieringer stelt onomwonden dat initiatie tot stand komt door kerkervaring. Ik citeer: “Dit betekent in de eerste plaats dat het doopsel en de christelijke initiatie een persoonlijke ontmoeting bevat met de persoon Jezus Christus via de gemeenschap die zich begrijpt als het lichaam van Christus. Dit gebeurt door het volgen van een weg, het binnentreden in een christelijke manier van leven. In de christelijke initiatie staat daarom de persoon van Jezus Christus en de kerkgemeenschap centraal, niet een boek (noch de Bijbel, noch de Katechismus, noch gelijk welk handboek of map).”
- Het tweede ankerpunt is geïntegreerde catechese. Zij dient als kerygmatische pool geïntegreerd in liturgie en diaconie. Vervolgens had ik als synthese koinoonia of communio verwacht, maar de tekst heeft het in plaats daarvan over integratie in spiritualiteit of het christen zijn.
In de catechetische literatuur kan men werkelijk als het meest voorkomende refrein lezen: de kerkgemeenschap zelf en haar leven is de eerste catechese, voor er binnen die kerkgemeenschap aan catechese wordt gedaan. Dat bedoel ik met de tweede evolutie van catechese naar catechetische pastoraal. Ik wil dit tot slot nog enigszins concretiseren, aansluitend bij hoofdstuk vier over de catechetische methodes. Daar ontbreekt voor mij opnieuw enigszins de beleving van de kerk zelf als methode van catechese.
Ik vrees dat bij hfst 4 over de diverse catecheses bij doelgroepen de vraag kan komen: ‘Moeten we dit er ook nog allemaal bij nemen?’ Het antwoord op deze vraag zou kunnen zijn: het gaat eerder om het gewone leven van de kerkgemeenschap dan om taken ‘erbij’. De Belgische bisschoppen - ik moet hen in mijn functie altijd minstens één keer citeren - schrijven in hun verklaring ‘Volwassen worden in geloof: “Stel dat iemand, die van geloof en Kerk helemaal niets weet, je komt vragen wat een christen eigenlijk gelooft en wat de Kerk is. (…) Je kan die persoon ook heel eenvoudig antwoorden: wacht tot het zondag is, kom naar de bijeenkomst van de christenen en je zult zien wat er gebeurt als ze samenkomen voor de eucharistie. Eigenlijk is daar alles te zien en te horen wat met geloof en Kerk wordt bedoeld.” Dat is wat ik bedoel met een ‘catechetische pastoraal’. Luc Aerens (Lumen Vitae) wijst er op dat de wijze waarop de gemeenschap de nieuweling ontvangt, waarop uit de Schrift wordt voorgelezen, hoe gezongen wordt, enz., een hoogst belangrijke catechese op zich is. Elke volwassenencatechese is secundair aan de homilie als de hoogste catechese binnen de liturgie. En zijn aparte gezinsvieringen en kindernevendiensten echt wel nodig als onze vieringen intergenerationeel toegankelijk zijn? Of nog, in een parochie in Duitsland bestaat de vormselcatechese in het bezoeken van bejaarden en deelnemen aan de liturgie, en dit werkt meer initiërend voor de jongeren dan eender welke handleiding. Het leven van de kerkgemeenschap is de eerste en voornaamste catechese.
Maar helaas is die kerkgemeenschap er niet altijd, in Vlaanderen en in Nederland, en ik vind het moedig dat dit ook benoemd wordt in de oriëntatietekst, met name op p. 21, en op p. 24 wat betreft de zondagsliturgie.
Ik zie voor het probleem van de ontbrekende gemeenschap dat een ‘catechetische pastoraal’ bemoeilijkt, geen pasklare oplossing. Ik denk dat in elk geval de vernieuwing van de territoriale pastoraal hand in hand moet gaan met de vernieuwing van de catechese - dat hoort overigens bij een paradigmawissel waarvan sprake in de tekst (p. 11). Maar de catechese kan ook niet wachten tot de kerkgemeenschappen er zijn. Ik sluit mij daarom hoopvol aan bij een andere zin uit de tekst: “Catechese kan een laboratorium worden van het nieuwe zelfverstaan van de Kerk in de wereld van vandaag.” (p. 12)









