Boodschap van paus Benedictus XVI voor de Vastentijd 2010
“Gods gerechtigheid is openbaar geworden door het geloof in Jezus Christus” (vgl. Rom 3, 21-22).
Geliefde broeders en zusters,
Ieder jaar nodigt de Kerk ons aan het begin van de Veertigdagentijd uit tot een serieuze herziening van ons leven in het licht van hetgeen het evangelie ons leert. Dit jaar zou ik u een aantal gedachten willen aanbieden over het grote thema van de gerechtigheid, om te beginnen de woorden van Paulus: “Gods gerechtigheid is zichtbaar geworden door het geloof in Jezus Christus” (vgl. Rom 3,21-22).
Gerechtigheid: “dare cuique suum”
Op de eerste plaats wil ik nagaan wat de betekenis is van het woord “gerechtigheid”, dat in gewoon taalgebruik zoveel wil zeggen als “ieder geven wat hem toekomt”, overeenkomstig de beroemde uitspraak van Ulpianus, een Romeins jurist uit de derde eeuw. In werkelijkheid specificeert deze klassieke definitie echter niet de inhoud van wat ieder toekomt. Wat een mens het meest nodig heeft kan hem niet door de wet worden gegarandeerd. Om het leven ten volle te kunnen beleven is iets nodig dat dieper gaat en dat alleen als gave kan worden verleend. We zouden kunnen zeggen dat de mens leeft door die liefde die alleen God kan meedelen, gezien het feit dat Hij de menselijke persoon heeft geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. Materiële goederen zijn nuttig en nodig. Jezus zelf heeft zieken genezen, menigten mensen die Hem volgden te eten gegeven, en Hij keurt zeker de onverschilligheid af die ook vandaag nog honderden miljoenen de dood injaagt door gebrek aan voedsel, water en medicijnen. Maar toch brengt “uitdelende” rechtvaardigheid de mens niet tot de totaliteit van “wat hem toekomt”. Een mens heeft brood nodig, maar heeft God nog meer nodig. De heilige Augustinus zegt daarover: als “gerechtigheid de deugd is die ieder het zijne geeft…, waar is dan de gerechtigheid van de mens wanneer hij de ware God verlaat?” (De civitate Dei, XIX, 21).
Wat is de oorzaak van onrecht?
De evangelist Marcus meldt ons de volgende woorden, die Jezus sprak in het kader van het debat in die tijd over wat rein en onrein is: “Niets kan de mens bezoedelen wat van buitenaf in hem komt. Maar wat uit de mens komt, dat bezoedelt de mens. (..) Wat uit de mens komt, dat bezoedelt hem. Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen, komen boze gedachten” (Mc 7,14-15, 20-21). Afgezien van de directe vraag betreffende het voedsel kunnen we in de reactie van de Farizeeën een permanente bekoring van de mens ontdekken, namelijk de oorzaak van het kwaad te willen zoeken buiten zichzelf. Vele moderne ideologieën gaan bij nader inzien uit van de volgende veronderstelling: daar onrecht “van buitenaf” komt, is het voor het laten gelden van gerechtigheid voldoende de externe oorzaken weg te nemen die haar realisering in de weg staan. Jezus waarschuwt ons dat deze manier van denken naïef en kortzichtig is. Onrecht is een vrucht van het kwaad en heeft niet enkel externe wortels; de oorzaak is gelegen in het menselijk hart, waar het zaad te vinden is van een geheimvolle samenwerking met het kwaad. Met bitterheid moet de psalmist constateren: “Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al schuldig toen mijn moeder mij ontving” (Ps 51,7). De mens wordt inderdaad verzwakt door een intense invloed die zijn capaciteit aantast om in gemeenschap te treden met de ander.
Van nature is hij bereid om vrijelijk met anderen te delen, maar hij stuit in zijn wezen op een vreemde zwaartekracht die hem op andere gedachten brengt en zichzelf boven anderen doet stellen en tegen anderen doet zijn. Dat is egoïsme, het resultaat van de erfzonde. Adam en Eva werden verleid door de leugen van satan en aten, tegen het goddelijk gebod in, van de mysterieuze vrucht. Daarmee vervingen zij de logica van vertrouwen in de Liefde door die van verdenking en competitie, de logica van het ontvangen en het vertrouwensvol verwachten van de Ander door het gretig grijpen en het eigenmachtig handelen (vgl. Gn 3,1-6). En als gevolg daarvan ondergingen ze een gevoel van onrust en onzekerheid. Hoe kan de mens zichzelf bevrijden van deze ik-gerichte invloed en zichzelf openstellen voor de liefde?
Gerechtigheid en sedaqah
In het hart van de wijsheid van Israël vinden we een diepe band tussen het geloof in God, die “uit het stof [verheft] wie berooid is (Ps 113,7), en de rechtvaardigheid jegens iemands buurman. Het Hebreeuwse woord dat de deugd van rechtvaardigheid aanduidt, sedaqah, drukt dat goed uit. Want sedaqah betekent aan de ene kant het voluit aanvaarden van de wil van de God van Israël, en aan de andere kant gelijkheid in de relatie met iemands buurman (vgl. Ex 20,12-17), vooral met de armen, de vreemdelingen, de wezen en weduwen (vgl. Deut 10,18-19). Maar de twee betekenissen zijn met elkaar verbonden, want het geven aan de armen is voor een Israëliet niets anders dan het herstellen van wat aan God toekomt, die medelijden had met de ellende van zijn volk. Het was niet toevallig dat het toevertrouwen van de tafelen van de Wet aan Mozes op de berg Sinai na het oversteken van de Rode Zee plaatsvond. Luisteren naar de Wet veronderstelt het geloof in God die “de roep van zijn volk hoorde” en hen daarna “uit de macht van de Egyptenaren bevrijdde” (vgl. Ex 3,8). God luistert naar de roep van de armen en vraagt van zijn kant dat er naar Hem wordt geluisterd: Hij vraagt om rechtvaardigheid jegens de armen (vgl. Sir 4,4-5,8-9), de vreemdelingen (vgl. Ex 22,20), de slaven (vgl. Dt 15,12-18). Om rechtvaardig te kunnen zijn is het dus nodig de illusie op te geven van zelfgenoegzaamheid, die diepgewortelde houding van geslotenheid die de ware oorzaak is van onrecht. Met andere woorden, er is een nog dieper gaande “exodus” nodig dan door God werd bewerkstelligd met Mozes, een bevrijding van het hart, die de Wet alleen niet bij machte is te realiseren. Kan de mens dan nog enige hoop koesteren op gerechtigheid?
Christus, de gerechtigheid van God
De christelijke Blijde Boodschap geeft een positief antwoord op het verlangen van de mens naar rechtvaardigheid, zoals de heilige Paulus bevestigt in zijn Brief aan de Romeinen: “Thans is echter, buiten de wet om, Gods gerechtigheid openbaar geworden… Gods gerechtigheid die zich door het geloof in Jezus Christus meedeelt aan allen die geloven, zonder enig onderscheid. Want allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de goddelijke heerlijkheid; en allen worden zij om niet door zijn genade gerechtvaardigd, krachtens de verlossing die in Christus Jezus is. Hem heeft God voor wie gelooft aangewezen als zoenoffer door zijn bloed” (3,21-25).
Maar wat is de gerechtigheid van Christus? Het is voor alles de gerechtigheid die voortkomt uit de genade, waarbij geen mens zichzelf of anderen verbetert of geneest. Het feit dat het “zoenoffer” voortkomt uit het “bloed” van Christus betekent dat het niet de offers van de mens zijn die hem bevrijden van de last van zijn fouten, maar de liefdedaad van God. God opent Zichzelf tot het uiterste, zelfs zover dat Hij zelf de “vervloeking” op zich neemt die te wijten is aan de mens en daarvoor de “zegening” teruggeeft die te danken is aan God (vgl. Gal 3,13-14). Maar hier ontstaat meteen een probleem: wat voor soort rechtvaardigheid is dit, waarbij de rechtvaardige sterft voor de schuldige en de schuldige daarvoor de zegening terugkrijgt die te danken is aan de rechtvaardige? Zou dit niet betekenen dat ieder het tegendeel ontvangt van “wat hem toekomt”? In feite ontdekken we hier de goddelijke gerechtigheid, die ten diepste verschilt van haar menselijke tegenhanger. Voor ons heeft God de prijs betaald voor deze ruil met zijn Zoon, een prijs die buitensporig hoog is. Ten aanzien van de gerechtigheid van het Kruis kan de mens afwijzend reageren, omdat daarmee duidelijk wordt dat hij zichzelf niet genoeg is, maar een Ander nodig heeft om zich ten volle te kunnen realiseren. Bekering tot Christus, geloof in het evangelie, dat betekent uiteindelijk dat we de illusie van zelfgenoegzaamheid achter ons laten om onze eigen behoeften te ontdekken en aanvaarden – de behoefte aan anderen en aan God, de behoefte aan zijn vergeving en zijn vriendschap.
We begrijpen dan dat geloof heel iets anders is dan een natuurlijk, positief aanvoelend en vanzelfsprekend feit. Er is nederigheid voor nodig om te aanvaarden dat ik een Ander nodig heb om me te bevrijden van “wat van mij is” en om mij kosteloos te geven “wat van Hem” is. Dat gebeurt met name in het sacrament van verzoening en in de eucharistie. Dankzij het handelen van Christus kunnen wij binnentreden in de “grootste” gerechtigheid, die van de liefde (vgl. Rom 13,8-10). Deze gerechtigheid ziet zichzelf duidelijk meer als schuldenaar dan als schuldeiser, omdat ze meer heeft ontvangen dan ze ooit had kunnen verwachten.
Juist door deze ervaring gesterkt voelt een christen zich aangemoedigd om bij te dragen aan een rechtvaardige samenleving, waarin allen ontvangen wat noodzakelijk is om te leven overeenkomstig de waardigheid die eigen is aan de menselijke persoon en waarin gerechtigheid wordt gedragen door liefde.
Geliefde broeders en zusters, de Veertigdagentijd vindt haar hoogtepunt in het paastriduüm, waarin we ook dit jaar de goddelijke gerechtigheid zullen vieren, de volheid van naastenliefde, gave en redding. Moge deze tijd van boetedoening voor iedere christen een tijd zijn van authentieke bekering en verdieping van de kennis van het mysterie van Christus, die kwam om iedere gerechtigheid te vervullen. Met deze gevoelens geef ik u allen van harte mijn apostolische zegen.
Uit het Vaticaan, 30 oktober 2009
Benedictus PP XVI
Vertaling: drs. Leo van den Broek
Geliefde broeders en zusters,
Ieder jaar nodigt de Kerk ons aan het begin van de Veertigdagentijd uit tot een serieuze herziening van ons leven in het licht van hetgeen het evangelie ons leert. Dit jaar zou ik u een aantal gedachten willen aanbieden over het grote thema van de gerechtigheid, om te beginnen de woorden van Paulus: “Gods gerechtigheid is zichtbaar geworden door het geloof in Jezus Christus” (vgl. Rom 3,21-22).
Gerechtigheid: “dare cuique suum”
Op de eerste plaats wil ik nagaan wat de betekenis is van het woord “gerechtigheid”, dat in gewoon taalgebruik zoveel wil zeggen als “ieder geven wat hem toekomt”, overeenkomstig de beroemde uitspraak van Ulpianus, een Romeins jurist uit de derde eeuw. In werkelijkheid specificeert deze klassieke definitie echter niet de inhoud van wat ieder toekomt. Wat een mens het meest nodig heeft kan hem niet door de wet worden gegarandeerd. Om het leven ten volle te kunnen beleven is iets nodig dat dieper gaat en dat alleen als gave kan worden verleend. We zouden kunnen zeggen dat de mens leeft door die liefde die alleen God kan meedelen, gezien het feit dat Hij de menselijke persoon heeft geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. Materiële goederen zijn nuttig en nodig. Jezus zelf heeft zieken genezen, menigten mensen die Hem volgden te eten gegeven, en Hij keurt zeker de onverschilligheid af die ook vandaag nog honderden miljoenen de dood injaagt door gebrek aan voedsel, water en medicijnen. Maar toch brengt “uitdelende” rechtvaardigheid de mens niet tot de totaliteit van “wat hem toekomt”. Een mens heeft brood nodig, maar heeft God nog meer nodig. De heilige Augustinus zegt daarover: als “gerechtigheid de deugd is die ieder het zijne geeft…, waar is dan de gerechtigheid van de mens wanneer hij de ware God verlaat?” (De civitate Dei, XIX, 21).
Wat is de oorzaak van onrecht?
De evangelist Marcus meldt ons de volgende woorden, die Jezus sprak in het kader van het debat in die tijd over wat rein en onrein is: “Niets kan de mens bezoedelen wat van buitenaf in hem komt. Maar wat uit de mens komt, dat bezoedelt de mens. (..) Wat uit de mens komt, dat bezoedelt hem. Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen, komen boze gedachten” (Mc 7,14-15, 20-21). Afgezien van de directe vraag betreffende het voedsel kunnen we in de reactie van de Farizeeën een permanente bekoring van de mens ontdekken, namelijk de oorzaak van het kwaad te willen zoeken buiten zichzelf. Vele moderne ideologieën gaan bij nader inzien uit van de volgende veronderstelling: daar onrecht “van buitenaf” komt, is het voor het laten gelden van gerechtigheid voldoende de externe oorzaken weg te nemen die haar realisering in de weg staan. Jezus waarschuwt ons dat deze manier van denken naïef en kortzichtig is. Onrecht is een vrucht van het kwaad en heeft niet enkel externe wortels; de oorzaak is gelegen in het menselijk hart, waar het zaad te vinden is van een geheimvolle samenwerking met het kwaad. Met bitterheid moet de psalmist constateren: “Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al schuldig toen mijn moeder mij ontving” (Ps 51,7). De mens wordt inderdaad verzwakt door een intense invloed die zijn capaciteit aantast om in gemeenschap te treden met de ander.
Van nature is hij bereid om vrijelijk met anderen te delen, maar hij stuit in zijn wezen op een vreemde zwaartekracht die hem op andere gedachten brengt en zichzelf boven anderen doet stellen en tegen anderen doet zijn. Dat is egoïsme, het resultaat van de erfzonde. Adam en Eva werden verleid door de leugen van satan en aten, tegen het goddelijk gebod in, van de mysterieuze vrucht. Daarmee vervingen zij de logica van vertrouwen in de Liefde door die van verdenking en competitie, de logica van het ontvangen en het vertrouwensvol verwachten van de Ander door het gretig grijpen en het eigenmachtig handelen (vgl. Gn 3,1-6). En als gevolg daarvan ondergingen ze een gevoel van onrust en onzekerheid. Hoe kan de mens zichzelf bevrijden van deze ik-gerichte invloed en zichzelf openstellen voor de liefde?
Gerechtigheid en sedaqah
In het hart van de wijsheid van Israël vinden we een diepe band tussen het geloof in God, die “uit het stof [verheft] wie berooid is (Ps 113,7), en de rechtvaardigheid jegens iemands buurman. Het Hebreeuwse woord dat de deugd van rechtvaardigheid aanduidt, sedaqah, drukt dat goed uit. Want sedaqah betekent aan de ene kant het voluit aanvaarden van de wil van de God van Israël, en aan de andere kant gelijkheid in de relatie met iemands buurman (vgl. Ex 20,12-17), vooral met de armen, de vreemdelingen, de wezen en weduwen (vgl. Deut 10,18-19). Maar de twee betekenissen zijn met elkaar verbonden, want het geven aan de armen is voor een Israëliet niets anders dan het herstellen van wat aan God toekomt, die medelijden had met de ellende van zijn volk. Het was niet toevallig dat het toevertrouwen van de tafelen van de Wet aan Mozes op de berg Sinai na het oversteken van de Rode Zee plaatsvond. Luisteren naar de Wet veronderstelt het geloof in God die “de roep van zijn volk hoorde” en hen daarna “uit de macht van de Egyptenaren bevrijdde” (vgl. Ex 3,8). God luistert naar de roep van de armen en vraagt van zijn kant dat er naar Hem wordt geluisterd: Hij vraagt om rechtvaardigheid jegens de armen (vgl. Sir 4,4-5,8-9), de vreemdelingen (vgl. Ex 22,20), de slaven (vgl. Dt 15,12-18). Om rechtvaardig te kunnen zijn is het dus nodig de illusie op te geven van zelfgenoegzaamheid, die diepgewortelde houding van geslotenheid die de ware oorzaak is van onrecht. Met andere woorden, er is een nog dieper gaande “exodus” nodig dan door God werd bewerkstelligd met Mozes, een bevrijding van het hart, die de Wet alleen niet bij machte is te realiseren. Kan de mens dan nog enige hoop koesteren op gerechtigheid?
Christus, de gerechtigheid van God
De christelijke Blijde Boodschap geeft een positief antwoord op het verlangen van de mens naar rechtvaardigheid, zoals de heilige Paulus bevestigt in zijn Brief aan de Romeinen: “Thans is echter, buiten de wet om, Gods gerechtigheid openbaar geworden… Gods gerechtigheid die zich door het geloof in Jezus Christus meedeelt aan allen die geloven, zonder enig onderscheid. Want allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de goddelijke heerlijkheid; en allen worden zij om niet door zijn genade gerechtvaardigd, krachtens de verlossing die in Christus Jezus is. Hem heeft God voor wie gelooft aangewezen als zoenoffer door zijn bloed” (3,21-25).
Maar wat is de gerechtigheid van Christus? Het is voor alles de gerechtigheid die voortkomt uit de genade, waarbij geen mens zichzelf of anderen verbetert of geneest. Het feit dat het “zoenoffer” voortkomt uit het “bloed” van Christus betekent dat het niet de offers van de mens zijn die hem bevrijden van de last van zijn fouten, maar de liefdedaad van God. God opent Zichzelf tot het uiterste, zelfs zover dat Hij zelf de “vervloeking” op zich neemt die te wijten is aan de mens en daarvoor de “zegening” teruggeeft die te danken is aan God (vgl. Gal 3,13-14). Maar hier ontstaat meteen een probleem: wat voor soort rechtvaardigheid is dit, waarbij de rechtvaardige sterft voor de schuldige en de schuldige daarvoor de zegening terugkrijgt die te danken is aan de rechtvaardige? Zou dit niet betekenen dat ieder het tegendeel ontvangt van “wat hem toekomt”? In feite ontdekken we hier de goddelijke gerechtigheid, die ten diepste verschilt van haar menselijke tegenhanger. Voor ons heeft God de prijs betaald voor deze ruil met zijn Zoon, een prijs die buitensporig hoog is. Ten aanzien van de gerechtigheid van het Kruis kan de mens afwijzend reageren, omdat daarmee duidelijk wordt dat hij zichzelf niet genoeg is, maar een Ander nodig heeft om zich ten volle te kunnen realiseren. Bekering tot Christus, geloof in het evangelie, dat betekent uiteindelijk dat we de illusie van zelfgenoegzaamheid achter ons laten om onze eigen behoeften te ontdekken en aanvaarden – de behoefte aan anderen en aan God, de behoefte aan zijn vergeving en zijn vriendschap.
We begrijpen dan dat geloof heel iets anders is dan een natuurlijk, positief aanvoelend en vanzelfsprekend feit. Er is nederigheid voor nodig om te aanvaarden dat ik een Ander nodig heb om me te bevrijden van “wat van mij is” en om mij kosteloos te geven “wat van Hem” is. Dat gebeurt met name in het sacrament van verzoening en in de eucharistie. Dankzij het handelen van Christus kunnen wij binnentreden in de “grootste” gerechtigheid, die van de liefde (vgl. Rom 13,8-10). Deze gerechtigheid ziet zichzelf duidelijk meer als schuldenaar dan als schuldeiser, omdat ze meer heeft ontvangen dan ze ooit had kunnen verwachten.
Juist door deze ervaring gesterkt voelt een christen zich aangemoedigd om bij te dragen aan een rechtvaardige samenleving, waarin allen ontvangen wat noodzakelijk is om te leven overeenkomstig de waardigheid die eigen is aan de menselijke persoon en waarin gerechtigheid wordt gedragen door liefde.
Geliefde broeders en zusters, de Veertigdagentijd vindt haar hoogtepunt in het paastriduüm, waarin we ook dit jaar de goddelijke gerechtigheid zullen vieren, de volheid van naastenliefde, gave en redding. Moge deze tijd van boetedoening voor iedere christen een tijd zijn van authentieke bekering en verdieping van de kennis van het mysterie van Christus, die kwam om iedere gerechtigheid te vervullen. Met deze gevoelens geef ik u allen van harte mijn apostolische zegen.
Uit het Vaticaan, 30 oktober 2009
Benedictus PP XVI
Vertaling: drs. Leo van den Broek










