home
rkkerk.nl
bisdommen
mediapastoraat
nieuws
radio
televisie
katholicisme

Boodschap van paus Benedictus XVI ter gelegenheid van de achttiende Wereldziekendag

Geliefde broeders en zusters,

Op 11 februari aanstaande, de gedachtenis van de heilige Maagd Maria van Lourdes, zal in de Vaticaanse basiliek de 18de Wereldziekendag worden gevierd. De gelukkige omstandigheid dat dit samenvalt met de 25ste verjaardag van de oprichting van de Pauselijke Raad voor de Werkers in de Gezondheidszorg is nog een reden om God te danken voor de weg die tot nu toe is afgelegd in de sector van de pastoraal in de gezondheidszorg. Ik wens van harte dat deze herdenking een gelegenheid is die bijdraagt aan een nog edelmoediger apostolisch élan voor de dienst aan de zieken en aan allen die voor hen zorgen.

Met de jaarlijkse Wereldziekendag wil de Kerk in werkelijkheid op alle niveaus de kerkgemeenschap ontvankelijk maken voor het belang van de pastorale dienst in de omvangrijke wereld van de gezondheidszorg, een dienst die een integraal deel uitmaakt van haar zending en waarmee zij in het voetspoor treedt van de heilszending zelf van Christus. Hij, de goddelijke Geneerheer, “ging weldoende rond en genas allen die onder de dwingelandij van de duivel stonden” (Hnd 10,38). In het mysterie van zijn lijden, dood en verrijzenis krijgt het menselijk lijden zin en volheid van licht. In de apostolische brief Salvifici doloris gebruikt de Dienaar Gods Johannes Paulus II in dit verband verhelderende woorden: “Het menselijk lijden”- zo schrijft hij - “heeft zijn hoogtepunt bereikt in het lijden van Christus. En tegelijk is het in een volkomen nieuwe dimensie en nieuwe orde opgenomen: het is met de liefde verbonden... met de liefde die het goede schept door het zelfs uit het kwade voort te brengen, door het uit het lijden voort te brengen, zoals het hoogste goed, de verlossing van de wereld, voortkwam uit het kruis van Christus, en bij dat kruis telkens opnieuw begint. Het kruis van Christus is een bron geworden waaruit stromen van levend water vloeien”(n. 18).

Alvorens naar de Vader terug te keren heeft de Heer Jezus zich bij het Laatste Avondmaal voorovergebogen om de apostelen de voeten te wassen, daarmee vooruitlopend op de uiterste daad van liefde aan het kruis. Met deze handeling heeft Hij zijn leerlingen uitgenodigd te treden in dezelfde logica van de liefde die men in het bijzonder aan de kleinsten en de zwaksten schenkt (vgl. Joh. 13, 12-17). Zijn voorbeeld volgend, is iedere christen geroepen om in verschillende en steeds nieuwe omstandigheden de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan opnieuw te beleven: toen deze langs een man kwam die door rovers halfdood was achtergelaten aan de rand van de weg, “zag hij hem en kreeg medelijden. Hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze; daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem. De volgende morgen haalde hij twee denariën te voorschijn, gaf ze aan de waard en zei: ‘Zorg voor hem, en wat ge meer mocht besteden, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden’” (Lc 10,33-35).

Aan het einde van de gelijkenis zegt Jezus: “Ga dan en doet gij evenzo” (Luc. 10, 37). Met deze woorden richt Hij zich ook tot ons. Hij spoort ons aan ons te buigen over de wonden van lichaam en geest van zoveel broeders en zusters van ons die wij op de wegen van de wereld ontmoeten; Hij helpt ons te begrijpen dat met Gods genade, die wij in het leven van iedere dag ontvangen en beleven, de ervaring van ziekte en lijden tot een school van hoop kan worden. Waarlijk, zoals ik heb gezegd in de encycliek Spe salvi: “Niet het vermijden van het lijden, niet de vlucht voor het lijden, heelt de mens, maar het vermogen het lijden te aanvaarden, daardoor te rijpen en zin te vinden door de vereniging met Christus, die met eindeloze liefde heeft geleden”(n.37).

Het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie herinnerde reeds aan de belangrijke opdracht van de Kerk zich te bekommeren om het menselijk lijden. In de dogmatische constitutie Lumen gentium lezen wij dat ”Christus door de Vader werd gezonden ‘om aan de armen de blijde boodschap te brengen, ...de verdrukte harten te genezen’ (Lc 4,18), ‘om te zoeken en te redden wat verloren was’ (Lc 19,10): evenzo omringt de Kerk met liefde al degenen die door menselijke zwakheid getroffen zijn; meer nog, in de armen en lijdenden erkent zij het evenbeeld van haar arme en lijdende Stichter; zij spant zich in om hun ellende te lenigen en Christus zelf is het die zij in hen wil dienen...” (n.8). Dit menselijk en geestelijk handelen van de kerkgemeenschap jegens de zieken en lijdenden is in de loop der eeuwen tot uitdrukking gekomen in vele vormen en structuren, ook van institutionele aard, in de gezondheidszorg. Ik zou hier willen herinneren aan de vormen en structuren die onder de directe leiding staan van de bisdommen en die welke voort zijn gekomen uit de edelmoedigheid van verschillende religieuze instituten. Het betreft een kostbaar “erfgoed”, dat overeenkomt met het feit dat “de liefde daarom ook behoefte heeft aan organisatie als voorwaarde voor geordend, gemeenschappelijk dienen” (Deus caritas est, n.20). Het in het leven roepen van de Pauselijke Raad voor de Werkers in de Gezondheidszorg, 25 jaar geleden, valt onder deze zorg van de Kerk voor de wereld van de gezondheidszorg. En ik acht het van belang hieraan toe te voegen dat men op dit ogenblik in de geschiedenis en de cultuur meer de behoefte voelt aan een attente aanwezigheid op alle niveaus van de Kerk bij de zieke, evenals aan een aanwezigheid in de maatschappij die in staat is efficiënt de evangelische waarden over te brengen ter bescherming van het menselijk leven in al zijn fases, vanaf de conceptie tot zijn natuurlijk einde.

Ik zou hier de Boodschap aan de armen, zieken en allen die lijden willen herhalen, die de concilievaders tot de wereld richtten op het einde van het Tweede Vaticaans Oecumenisch  Concilie: “U allen die zwaarder de last voelt van het kruis” - zo zeiden zij - … “u die bedroefd zijt… “u van wie het lijden niet bekend is: vat opnieuw moed: u bent de uitverkorenen van het rijk Gods, het rijk van hoop, geluk en leven; u bent de broeders en zusters van de lijdende Christus; en u redt met Hem, als u wilt, de wereld!” (Ench. Vat. I, n. 523*, [p.313]). Ik dank van harte de mensen die iedere dag “ten dienste staan van de zieken en de lijdenden, opdat het apostolaat van de barmhartigheid dat zij vervullen, steeds beter aan de nieuwe eisen beantwoordt” (Johannes Paulus II, Apost. Const. Pastor Bonus, art.152).

In het Jaar van de Priester gaan mijn gedachten in het bijzonder uit naar u, dierbare priesters, “dienaars van de zieke”, teken en werktuig van het medelijden van Christus, dat iedere mens moet bereiken die door lijden wordt getekend. Ik nodig u uit, dierbare priesters, u niet te ontzien, wanneer het erom gaat hun zorg en troost te geven. De tijd die men doorbrengt naast iemand die wordt beproefd, blijkt rijk aan vruchten te zijn voor alle dimensies van de pastoraal. Ten slotte richt ik mij tot u, dierbare zieken, en ik vraag u te bidden en uw lijden op te dragen voor de priesters, opdat zij trouw kunnen blijven aan hun roeping en hun dienstwerk rijk mag zijn aan geestelijke vruchten tot heil van de Kerk.

Met deze gevoelens smeek ik over de zieken, evenals over allen die hen bijstaan, de moederlijke bescherming af van Maria Salus Infirmorum, en geef ik aan allen van harte de apostolische zegen.

Uit het Vaticaan, 22 november 2009, op het hoogfeest van Christus Koning.

BENEDICTUS PP. XVI


Vertaling: drs. H.M.G. Kretzers



Download hier de PDF-versie