Ard Schenk
Schaatsheld Ard Schenk (65) is altijd een nuchtere Noord-Hollander gebleven. Hij won drie wereldtitels, werd driemaal Europees kampioen en won driemaal goud bij de Olympische Spelen. Nu ligt zijn levensverhaal vast in Ard Schenk, de biografie. In Vancouver is hij erbij, als toeschouwer: ‘Sven Kramer gaat zeker winnen.’
Ard Schenk, de naam alleen al: kort, krachtig, Noord-Hollands. Je hoeft er, zeg ik hem in zijn huis in Grootschermer, niet veel achter te zoeken. ‘Nee, what you see is what you get. Ach, er is in al die jaren ook zo veel om mij heen gebrouwen. Vaak dacht ik: is dat -allemaal nodig? Ik heb aan de adorering rond dat schaatsenrijden altijd heel erg moeten wennen.’
Ard Schenk werd vorig
jaar 65. Hij trekt dit jaar voor het eerst van Drees. Wie hem aanschouwt, zou
hem net zo goed vijftig kunnen geven. ‘Veel mensen denken dat Kees Verkerk, de
Noor Fred Anton Maier of ik nooit ouder worden, omdat ze ons in onze glorietijd
altijd zo jong hebben zien schaatsen in het Bislet-stadion in Oslo. Je wordt
vastgepind op een bepaalde leeftijd. Laat dat dan ook maar mooi zo zitten. 65
jaar is meer een kalenderleeftijd. Ik ben ook nog gewoon als fysiotherapeut aan
het werk en doe daarnaast nog honderd andere dingen. Met de recent verschenen
-biografie heb ik een overvolle agenda.’
Hij kwam van de boerderij in Anna Paulowna en groeide op tussen trekkers, paarden en koeien. Zijn vader was Klaas Schenk, ooit een gekend schaatscoach. Op zijn eerste Olympische Winterspelen in Innsbruck, in 1964, reikte Schenk naar een dertiende plaats op de 1500 meter; Kees Verkerk won een zilveren medaille op deze afstand. Toen al was Schenk niet dol op bondsbestuurders, een houding die hij later niet zou veranderen. ‘Bondsbestuurders uit die tijd hadden vroeger ideeën als “Die jongens moeten verder niet zeuren, die moeten gewoon lekker hard schaatsen!”’
Die
houding hebben ze nu nog?
‘Het is nu nog steeds
zo. Het blijven altijd dezelfde mensen, dat verandert nooit. Het besturen van
sportbonden is totaal iets anders dan de sport zelf bedrijven.’
Met schaatsers als Ard
Schenk, Kees Verkerk, Jan Bols, Peter Nottet en Eddy Verheijen brak voor
Nederland in de jaren zeventig een glorieus schaatstijdperk aan. Schenk werd in
1970, 1971 en 1972 wereldkampioen. In 1972 won Schenk op het WK alle afstanden.
‘De drie medailles die ik op de Olympische Spelen behaalde, hadden weliswaar
veel meer uitstraling in de ogen van het publiek, maar op alle afstanden de
beste zijn tijdens een WK vind ik toch de beste prestatie die ik ooit geleverd
heb.’
Het
was ook de tijd dat de stadionyell ‘heya Ard, heya Keessie’ in elk Nederlands
huis wel een keer klonk.
‘Die yell is in
Noorwegen ontstaan. Eigenlijk is het gewoon “hup jongens”.’
Toen
de EK- en WK-wedstrijden voor het eerst live werden uitgezonden, was dat nog in
zwart-wit.
‘Ik denk dat het daarom
nog steeds bijzonder is. Dat tijdsbeeld van toen is misschien nog veel
belangrijker dan de prestaties die op dat moment geleverd werden. Ajax en
Feyenoord begonnen in die tijd Europacups te winnen. Er was schaatsenrijden en
wielrennen en dat kwam allemaal uit een soort zwart-wittijdperk met één,
hooguit twee zenders. De NTS zond het uit met commentaar van Bob Spaak of Fred
Racké. Het grote verschil met nu is dat er geen keuze was. De hele familie ging
schaatsen kijken. Nu hebben we vijfendertig andere dingen te doen.’
Hartenbreker
Tijdens de Olympische
Winterspelen van Sapporo in 1972 valt Schenk op de cruciale 500 meter. De drie
resterende afstanden wint hij alle drie met overmacht. Is er een gelijkenis te
maken met de overwinning die judoka Anton Geesink op de Olympische Zomer-spelen
in 1964 in Japan behaalde op de Japanner -Kaminaga? ‘Nee, dat zijn twee totaal
onvergelijkbare prestaties. Anton versloeg zijn tegenstander in een sport
waarin Japan al jaren domineerde, het judo, en hij deed dat ook nog eens in hun
eigen land, dus dat was heel uniek. De Japanse schaatsenrijders waren in die
jaren van Sapporo alleen op de 500 meter goed, maar verder eigenlijk niet zo.
Het was dus niet zo moeilijk om de Japanners in eigen land met schaatsen te
verslaan.’
Schenk gold in die
jaren ook als een hartenbreker en vrouwenveroveraar. Enkele vrouwelijke
collega’s binnen de KRO bekenden mij aan de vooravond van dit interview hoe
ernstig verliefd ze op de schaatskampioen waren geweest en mogelijk nog zijn.
‘Het is maar goed dat ik me dat allemaal niet zo realiseer. Je moet toch wel
heel zware schoenen aantrekken om niet naast je schoenen te gaan lopen. Ik heb
er aan de andere kant in die fasen van mijn leven altijd veel van genoten. Niet
iedereen heb ik ten dans kunnen vragen.’ In 1975 trouwde hij met zijn vriendin
Christine, een maand later overleed ze. ‘Ze had een hartprobleem. Dat is nog
steeds een periode die erin hakt. Je hebt heel andere ideeën over hoe het leven
zich zal ontplooien en dan breek je dat bij de steel af. Dat blijft je bij.’
Je
bent later opnieuw getrouwd. Nog steeds gelukkig?
‘Jazeker! Het is
inmiddels zo lang terug dat ik ermee heb leren omgaan, maar het is en blijft
een moment in je leven. Als ik praat over vreugdevolle momenten, dan zijn dit
de dieptreurige momenten. Zoals ik het ene oppak, zo heb ik het andere ook
opgepakt. Ik ben iemand die, als het me niet goed gaat, probeert te herpakken
en door te zetten. Dat zit in mijn karakter, dat zit in de manier waarop je je
sport bedreven hebt. Zo ben ik ook met dit verlies omgegaan.’
Schenk noemt zich niet verbonden met een kerk of met een andere organisatie. Het kwam niet in de familie voor en God heeft hem bij zijn schaatscarrière niet geholpen. ‘Nee, ik denk dat Schenk het in belangrijke mate, met de hulp van veel mensen om hem heen, zelf heeft gedaan. Ik heb ook altijd het volste vertrouwen gehad in de manier waarop ik de dingen doe.’
Geschiedenisboek
Achttien wereldrecords,
viermaal sportman van het jaar, 114de in de verkiezing van de Grootste
Nederlander (2004) – Schenks actieve schaatsperiode ligt alweer een kleine
dertig jaar achter hem. Met de aandacht die hem in zijn schaatsperiode ten deel
viel, was hij nooit zo blij. ‘Wat voor vragen ik al niet gekregen heb om te
komen doen: “Kom gezellig een uurtje op ons toneel zitten, dan kunnen we naar
je kijken.” Polsstokverspringen, dat soort zaken. Het maakte niet uit, kom
dansen met de bruid. Het werd te gek.’
Schenk moest ook nadrukkelijk overtuigd worden van het nut van de biografie die vorige maand van hem verscheen. Nu ligt hij er: Ard Schenk, de biografie, 500 pagina’s dik. ‘Het is een mooi boek geworden en ik ben er uitermate trots op. De auteurs hebben fantastisch werk geleverd. Het is geen autobiografie, maar een biografie. De auteurs hebben, met mijn toestemming, rondgekeken en maar liefst met 55 mensen over mij gesproken, en dat alles opgeschreven. Het is als een mooi, breed opgezet geschiedenisboek. We praten niet louter over tien jaar topsport maar over veertig ingevulde jaren of misschien zelfs wel over bijna 65 jaar, want het boek begint bij mijn geboorte. Het is nu een mooi afgesloten geheel.’
De Olympische Winterspelen in Vancouver staan voor de deur en Ard Schenk zal ter plekke zeker aanwezig zijn. ‘Ik ben een gedeelte aanwezig. Verzekeraar Aegon, sponsor van de KNSB en het schaatsenrijden, hebben mij en mijn vrouw uitgenodigd. Ik zal met veel plezier vanaf de tribune de verrichtingen van onze schaatsploeg bekijken.’
Hebben
wij anno 2010 een Ard en Keessie in de stal?
‘Dat niet, maar wel
mensen die absoluut tot een zeer hoog niveau kunnen komen. Sven Kramer kan zijn
medailleoogst in Vancouver zeker uitbreiden. Aan zijn zilveren schaatsmedaille
uit Turijn 2006 kan hij hier een aantal gouden toevoegen. Zo’n sprinter als
Ronald Mulder kan op de 500 meter ineens uit zijn slof schieten. Op de 1000
meter hebben we een paar mensen die meekunnen, ook op de 1500 meter, maar het
is en blijft het moment van de dag.’
Is
Vancouver heel anders dan Sapporo, Lillehammer of Albertville?
‘Ja, deze Spelen zijn
op uiterst moderne leest geschoeid. Ze zijn perfect georganiseerd in een stad
waarin de sport volledig het middelpunt zal zijn en waar niets aan het toeval
wordt overgelaten. Zoiets stemt mij als atleet zeer plezierig.’
Levensgenieter
Hij wijst op een
bijzonder mooi verlicht beeldje van schaatskampioen Jaap Eden op een
ingemetseld steentje in de muur. ‘’s Morgens is Jaap verlicht en hij gaat ’s
avonds als laatste uit. Hij is hier altijd in de buurt. Jaap Eden spreekt mij
aan als mens en sportman. Hij was wielrenner, schaatsenrijder, maar hij was ook
levensgenieter. Deze prijs is een van de mooiste prijzen die ik heb gewonnen.
En de biografie is voor mij eigenlijk als een symbool van de afronding van mijn
actieve schaatsleven. Er staan veel dingen in beschreven, lang niet altijd ten
faveure van mijzelf, maar wel allemaal de waarheid. Ik vind dit een prachtig
document en als zodanig is het mij zeer dierbaar.’
Had
je dit alles voor geen goud willen missen?
‘Nee, pertinent niet.
Nog steeds is het een genot om te merken dat je dingen kunt doen. Misschien
zelfs makkelijker, beter en sneller dan een ander, dat is een voorrecht dat ik
voor geen goud had willen missen. Als boerenzoon uit de polder denk ik dat ik
mijn leven ook op een andere manier prima ontplooid zou hebben. Ik zou ook dat
leven met heel veel plezier en genoegen geleefd hebben, maar ik heb me
eenvoudig aan de omstandigheden aangepast. Ik zal ook zeker weer terugkeren in
een meer anoniem bestaan. Ik zal dan gewoon weer het plezier kunnen beleven aan
wat direct in mijn omgeving en in de natuur opdoemt.’
Nu
valt nog net te schaatsen op dat slootje achter je huis?
‘Schaatsen op dat
slootje in die polder aan het einde van de dag. Als je dan nog even dat ijs op
kunt, dat is een unieke ervaring.’











